Ik heb een kerstfeest in mijn hart

Ik heb een kerstfeest in mijn hart en koren zingen mee
En buiten hoor je zacht mijn lied
Maar binnen zingt het luid voor tien

Ik heb een kerstfeest in mijn hart en ik zing voor de Heer
Dat zing ik ook voor jou
Zodat jij het ook kan zien

Ik heb een kerstfeest in mijn hart en wil dat jij ook hoort
Dat Jezus hier eens kwam
Om ons te redden hier

Heb jij ook kerstfeest in je hart of zingt jouw hart niet mee
Dan zing ik ook voor jou
Zodat jij het ook kan zien

Want Jezus die hier ooit eens kwam om ons te redden hier
Die wil dat feest ook in jouw hart
Zodat anderen het ook zien

Ik heb een kerstfeest in mijn hart en koren zingen mee
En om mij heen is Engelenzang
Ze zingen luid voor tien

Dat Jezus hier voor jou ook was om jou te redden hier
Zodat je later mee kan zingen
Zo mooi dat iedereen het kan zien

Dat Jezus is mijn Redder hier en straks mijn goede vriend
Dan mag je meedoen met zijn lied
En zing je luid voor tien

Dans! Dans! Dans!

Dans! Dans! Dans maar op mijn grafsteen.
Dikzak, rotzak, luilak.
Scheld maar: leeghoofd, warhoofd, gek.

Dans! Dans! Dans nou maar.
Hou jij je feestje, zonder mij.
Scheld maar: idioot, malloot, zot.

Dans! Dans! Dans nou toch!
Nu kan het. Ik hoor het toch niet. Kom!
Scheld maar: Sufferd, watje, gek.

Dans! Dans! Dans maar op mijn grafsteen.
Maar zolang ik er nog bij ben, houd je bek!

Op een feestje praat je niet over mensen die aanwezig zijn. Ook niet over mensen die er niet zijn.

IK ZIT NOOIT STIL!

In 1998 zei een collega van mij: “Jij hebt ook ADHD, je weet het alleen zelf nog niet. Jij zit nooit stil!”

Hij had mij al een tijdje meegemaakt, wist prima hoe hij met mij moest samenwerken en we hadden het goed samen, maar hij had geen idee wat hij bij mij losmaakte. Vanaf toen knaagde het weer aan mij en als ik nog niet onrustig was, terugdenken aan mijn jonge jaren raakte het mij dan toch in ieder geval. Hij gaf een naam aan wat ik altijd al wist, maar wat ik nooit had leren benoemen, laat staan om er mee om te gaan.

Al heel snel, toen ik een jaar of 4 was, had ik al door dat ik ‘anders’ was dan mijn klasgenootjes en mijn tweelingbroer, ik zat namelijk nooit stil. Dingetjes om mij heen trokken altijd mijn aandacht meer dan waar ik op dat moment op moest letten. Het schoolbord, de stem van de juf, mijn pen, andere dingen waren altijd onweerstaanbaar aantrekkelijk, veel meer dan wat voor mijn neus lag op dat moment. En als een stuiterbal met een barst, sprong ik van hot naar her.

Een paar jaar later werd het erger, de herfst buiten rook tien keer lekkerder dan het lokaal, de vogels trokken een veel mooier pad in de lucht dan het krijt op het bord. De meester werd vaak wanhopig van mij en zelf werd ik er ook al niet blij meer van. Tien dingen tegelijk vochten in mijn hoofd om mijn onverdeelde aandacht en in mijn wilde jacht naar dat ene dat eruit sprong maar dat ik nooit bereikte struikelde ik vele malen over mijn veters, mijn woorden, mijn daden en de mooie dingen die ik bedacht. En mijn ouders vielen over mij. En mijn klasgenoten besprongen mij. En met het onrustiger worden, werd de ruimte om mij heen alsmaar groter, en ik eenzamer. En ik zat nooit stil.

Na de lagere school bleef ik aandachtspunt voor leraren en ouders, en rechtlijnig evenredig, wiskunde was mijn favoriete vak, werd ik het mikpunt van mijn klasgenoten. School paste niet bij mij en militaire dienst en ik gingen niet samen. Elke nieuwe opleiding, uitdaging of nieuw pad dat ik insloeg maakte ik niet af, want de intelligentie die ik in mij had werd altijd overschaduwd door mijn chaotische natuur, de onmogelijkheid om iets echt af te maken of door te zetten. Mijn energie kon nooit langer dan een paar maanden in één richting gaan.

Verstoppen achter een masker, eeuwig vluchten voor mijzelf en de mensen om mij heen ging ik van hot naar her en de grenzen over van land en mijn kunnen. Regelmatig zei ik het tegen mijzelf, half uit wanhoop, half uit opstandigheid: ”Geef me de ruimte, geef me de zon. Niet zo’n klein streepje, op het balkon!” En dat gaf voor mij het moment aan om weer te verhuizen. Wat ik dan weer deed, een nieuw baantje, nieuwe mensen om mij heen. Voor zolang als het duurde.

En toen ik zo naast mijn collega stond, na vele jaren van totaal verschillende banen, omgevingen, uitdagingen en met de altijd aanwezige spanning in mijn lichaam, van “Zou mij dit nu eindelijk eens lukken?” zei hij zomaar ineens: “Jij hebt ook ADHD, je weet het alleen zelf nog niet. Jij zit nooit stil!”

Tegenwoordig vaar ik in rustiger water. De pestkoppen heb ik achter mij gelaten, evenals de uitdagingen die ik toch niet bereikte. Diploma’s heb ik zat en nuttig zijn ze tegenwoordig ook, mijn kinderen smullen van mijn opgeslagen kennis van ontzettend veel onderwerpen. Ik vaar om mensen heen die niet om kunnen gaan met mij omdat ‘ik zo druk ben’, en mensen die er kwaad over spreken laat ik links liggen. Echte vrienden zijn gebleven en de Grote Vriend ben ik, dank de Heer dus, ook niet kwijtgeraakt. Hij houd mij nog steeds in de gaten gelukkig.

Stil zitten doe ik trouwens nog altijd niet.

Gerelateerd: Volmaakte vrienden

 

Die Geest is wat de mens beweegt

De Geest van God blies ooit eens rond
Op de woeste watergronden
Toen God blies met zijn Geest
Werd water weg van ’t land gebonden

God blies zijn Geest toen in de Mens
De eerst mens die Hij ooit schiep
Zo prachtig uitgedacht
Om daarmee Schepping af te ronden

Maar ondanks de werking van de Geest
Waren wij Zijn adem toch niet waard
Niet kijkend naar Zijn pracht
Beging de mens zijn eerste zonden

Niet eeuwig blaast de Geest ons voort
Alleen in aardse tijd bepaald
Gods kinderen worden voortgedreven
tot het hemelse leven wordt gevonden

Pinksteren

Vertrouwen op Vader

Sinds een paar dagen is Joris bang. Hij denkt dat hij kan vallen.

Op de commode raakte hij ineens in paniek, bang dat hij zou vallen en alleen met heel veel liefde toespreken maakte hem weer kalm.

Vandaag vierden we alvast zijn verjaardag, 22 januari 2 jaar alweer, en hij werd op tafel gezet met ons erom heen en 1 kadootje-alvast. Even zag je de paniek weer in zijn oogjes, “O nee, ik kan vallen!”. Maar rustig toespreken: “Je vader zal je nooit laten vallen, kalm maar jongetje, het is goed.” deed ’t ‘m en hij ging weer verder met scheuren van papier.

Heb jij dat ook weleens, dat je bang bent, en niemand die je beschermt of kalmeren kan? Heb jij weleens het gevoel dat niemand je kan opvangen als je valt of je beschermt?

Ook voor jou is er een Vader, één die je beschermt, die je opvangt en je kalm kan maken van binnen. Eén die je nooit zal laten vallen. Benieuwd wie dat is?

www.alphacursus.nl

Ik kan de wereld zien

Earth_Large

Photo credits NASA

Ik kan de wereld zien!

Vandaag besefte ik dit ineens. Met al die technologie van tegenwoordig: ik kan de wereld zien.

Wat zijn mensen toch knap. En nog niet eens alleen de wereld kan je zien, planeten, sterren, kometen, ook die kunnen we tegenwoordig van dichtbij zien. Al mijn hele leven ben ik gefascineerd door die enorme Schepping, eerder zocht ik nog in de bieb naar boeken, nu doorzoek ik het internet. Op deze site http://saturn.jpl.nasa.gov is bijvoorbeeld een prachtig zicht op Saturnus te zien.

“En God zag dat het goed was.”

Dat staat er in het verhaal van de Schepping in Genesis (een boek uit het Oude Testament van de Bijbel voor de niet-kenners onder ons).

Na een tijdje, Kaïn had Abel al een tijdje daarvoor doodgeslagen, nam God nog eens alles onder de loep. En werd enorm verdrietig. Wat hebben we er een zootje van gemaakt.

Dat word ik ook weleens als ik alles bekijk. Want ook al is het plaatje van veraf prachtig: als je met de neus op de feiten gedrukt wordt, is het allemaal maar kommer en kwel en er komt geen einde aan.

God heeft al wel voorspeld toen, dat Hij er op een dag iets moois van gaat maken. Alles nieuw. Niet alleen het grote plaatje mooi, maar ook van dichtbij. Op een dag, dan kijken we met verwondering en blijdschap naar wat we dichtbij kunnen zien.

Goed voorbeeld doet goed volgen. Ook wij moeten er iets moois van maken. Van het grote plaatje, maar ook van heel dichtbij. Totdat Hij komt.

Vandaag besefte ik ineens: ik kan de wereld zien.

Als muziek in mijn oren

Mijn kinderen zingen graag.

Omdat ze heel veel ceedeetjes hebben, elk van hun eigen favoriet, hoor ik bijna elke dag wel weer wat nieuws. Ze zingen bijna altijd toch wel van iets wat ik allang weet: van onze Heer. En zij weten dat ook. En ik zing mee.

Vaak zingen wij ons dankgebed aan het einde van de maaltijd. Het “Onze Vader”. Sinds een paar weken zingt ook de kleine Joris mee. “La la la, bwo bwolololo, joehoehoe! AAAHAAAA-MEEEN!!!”

Hoewel niemand er ook maar iets van verstaat: ik weet waarover hij zingt. En jij nu ook.

Het klinkt als muziek in mijn oren.