ADHD

Ik moet werken, opstaan vroeg, broodjes smeren, vrouwtje doeg. Kids naar school toe, broodjes smeren, op de fiets, vergeet ik niets? Weer terug, naar huis toe gaan, een wasje draaien, koffie drinken, of laten staan? Computer aan, nog zo lang wachten, eindelijk inlog en we gaan. Duizend vragen, hoofd op hol, sneller tiepen, je wordt dol. Ik moet poepen, nee toch niet, gauw naar boven, dacht ik niet. Naar het washok, hup die was, kleur op gok. Wasje hangen, aan de lijn, eindelijk koffie, heerlijk, fijn. Joris fruithap, fles of koek? Moet je kiezen, eind is zoek? Briefje printen, naar de bus, eerst nog eten, gauw maar dus. Nog een bakkie, toch maar niet? Ik wil meer uren, red het niet. Hollen hop, naar de schuur, fiets en kar, het is guur. Hijgend fiets ik, door de stad, kindje wacht en Joris lacht, straks niet meer. Snel naar huis toe, fiets toch door, Niels, jij achter, Noekie voor. Zo, weer binnen, op de bank, Joris poepie? Wat een stank! Broodjes smeren, Joris bed, ik een korstje, ’t is wel best. Nu weer werken, wat een baan, vragen komen, en ze gaan. Leendert koken, je bent laat, nu maar hopen, of het smaakt. Kids naar bed toe, tukkie bank. Joris poepie? Wat een stank! Hop je bed in, snurken tot licht, nu de vaat nog, ’t is je plicht. Even klooien, op de Mac, dertig websites, ’t is te gek! Lekker loeren, naar de buis, filmpje boeit niet, liever ruis. Zand in oogjes, slapen gaan, morgen werken, vroeg opstaan. Ik moet werken, snel een douche … sneller, sneller, je kan meer, toe nou toch!