Een gedichtje over een Belgisch wichtje

We gingen elke zaterdag graag in Antwerpen naar de binnenstad
Zij en ik liepen al maanden en moet bekennen, ik zag haar graag
Maar zoals het al zo vaak hier gaat is men dol op de Patat
De liefde van de lieve meid ging voornamelijk door haar maag
Na een half jaar kon ik niet meer met mijn armen om haar heen
Laat staan haar voor een kuise kus even van de grond af tillen
Toen we weer gingen stappen was ze inmiddels zo tonnetje rond
En wilde ik na lang wikken en vooral wegen zonder haar er vandoor
Zei ze met een spontane lach op haar gezicht, het lieve Grieteke
In het onvervalste Vlaams uit de buurt van Sint-Job-in’t-Goor
Doet u men maar een iel klèn bietje meer Mayo op mijn Frieteke